Knipsels

Prelude
Ouverture
Kunstkringen
Japanse Kampen
Orkesten/Koren
Komponisten
Artiesten
Sticusa/Erasmushuis
Programma's/Recensies
Encores/Links
Onderzoekers
Chronologie en kaarten
Knipsels
Gebouwen
Radio
gamelan
 
Allerlei          Print Version/Afdruk Versie

Westersche Muziek, Tooneel en Literatuur

 

Wie over kunst in Indië schrijft, heeft rekening te houden met een belangrijke factor in de culturele geschiedenis van deze koloniën, n.l. met het dilettantisme.

 

Het initiatief om overzeesche kunst hier over te brengen, zoowel als de auto-didactische beoefening daarvan ging uit van liefhebbers, van dilettanten, wier geduld en ambitie in die vroegere tijden men bewonderen moet. Zonder voorlichting, zonder aanmoediging, zonder muziekboeken, zonder instrumentmakers, daarentegen met gebrekkige instrumenten, die niet afdoende gerepareerd konden worden en van het klimaat te lijden hadden moesten zij zich behelpen.

 

Zoo bleef de toestand gedurende tweehonderd jaren.

Eerst in de negentiende eeuw waagde een Europeesch kunstenaar het ’n enkele maal de reis naar Java te ondernemen, doch dit bleef een zeldzaamheid. Met de oprichting te Batavia van de muziekvereeniging “Aurora” in 1848 begon men in te zien, dat de kunst pas goed gediend kan worden, wanneer men met gezamelijke krachten hare belangen behartigde. Later ontstond zelfs een tweede muziekgenootschap, maar deze versnippering van krachten dreigde te leiden tot ondergang, inplaats van der oplbloeiing der kunst. Wijselijk werd dan ook tot een fusie van beide kunstvereenigingen besloten, en onder den naam van “Toonkunst Aurora” heeft dit genootschap gedurende bijna 60 jaren het Nederlandsch publiek in de hoofdstad van Java menigen avond van muzikaal genot geschonken.

Intusschen gaf het, in 1836 oorspronkelijk voor het leger in het leven geroepen, staf-muziekkorps ook concerten in het openbaar; het strijkkwartet daarvan werd meer en meer ontwikkeld, zoodat  het z.g. harmonie orkest zich allengs ook vermocht om te zetten in een strijkorkest, en wel met zooveel capaciteit, dat het onder de voortreffelijke leiding van den kapelmeester N.J. Gerharz speodig het beste symphonie-orkest van den Oriënt werd genoemd.

 

Het hooge peil, waarop de uitvoeringen der stafmuziek stonden, was oorzaak, dat het dilettanten-orkest van “Toonkunst Aurora” het op den duur moest afleggen. Met gevolg, dat die aloude vereeninging een langzamen dood tegemoet ging. In 1918 bestonden zij nog slechts in naam.

 

De drukkere en beter escheepvaart-verbinding tusschen moederland en koloniën zoowel als tusschen de Fransche en Britsche nederzettingen en Java had tot gevolg, dat er meer artiesten, zelfs groote opera-gezelschappen, het land van den eeuwigen zomer kwamen bezoeken. Waren het aanvankelijk Fransche gezelschappen, die het hek van den dam namen - spoedig volgden Italiaansche, later ook Engelsche, Duitsche en Russische.

 

Zij werden hier goed ontvangen en maakten over het algemeen geen slechte zaken. Werden zij tot in de laatste jaren der vorige eeuw nog door de handelsmagnaten van Batavia, Semarang en Soerabaja gesubsidieerd, na 1900 moesten zij zichzelf bedruipen, want hun aantal groeide jaarlijks te sterk aan. Het gebeurde vaak, dat bij het vertrekken van die troepen enkele leden ervan hier achtebleven en een bestaan vonden als muziekleeraar of leerares ( Galati, Gasorati, Mario Paci, achtereenvolgens dirigenten van het muziek genootschap “Caecilia” te Soerabaja, dat nu ook, na een bestaan van ongeveer zestig jaren, tot het verleden behoort ). Dit kwam het plaatselijk kunstleven ten goede, omdat - zeer eigenaardig - de Hollandsche kunstenaars zelf nog huiverig waren, naar Indië te komen.

 

De muziekliefhebbers hier te lande hadden niettemin herhaadelijk pogingen aangewend, om beroepskunstenaars naar den Oost te krijgen, doch met weinig resultaat. Zij lieten het er echter niet bij, en tot hun eer zij vermeld, dat zij het smeulend vuur hunner toewijding onderhielden en het zelfs durfden bestaan, een opera-club op te richten onder leiding van een dier achergebleven artisten. Isidore van Kinsbergen, die gedurende ruim veertig jaren een belangrijke rol in het Indische kunstleven heeft vervuld. Hij wist zijn dilettanten door ijverig studeeren zoover te leiden, dat opera’s als Mignon, La Traviata, Le Trouvère, Le capitaine noir enz., een zeer goede uitvoering beleefden.

 

Op het voorbeeld van Daniël de Lange in Nederland stichtten weer andere dilettanten te Batavia een a capella-koor en kozen daarvoor W.F. Siep (componist o.m. van de Hollandsche Boerendansen) tot dirigent. Dit koor heeft tien jaar lang bestaan, en gaf ernstige degelijke kunst. De vlottende bevolking der hoofdstad en de onophoudenlijke mutaitie’s onder de landsdienaren waren oorzaak, dat het koor ten laatste verliep door een geleidelijk verlies van zijn beste krachten.

 

Terzelfder tijdwerden geregeld druk bezochte orgelconcerten in de Willemskerk en soms ook in de eeuwenoude Portugeesche Buitenkerk te Batavia gehouden.

Doch eerst met de oprichting van het Muziekverbond trad het muziekleven een stadium van algemeene belangstelling en snel toenemenden bloei in, dat thans nog voortduurt. Daarbij gesteund door de Gemeente Batavia, geeft het Muziekverbond geregeld maandelijksche volksconcerten met solisten van naam en met de stafmuziek. Deze muziekuitvoeringen, kosteloos voor iedereen toegankelijk, verheugen zich in een groote populaiteit en worden zeer gewaardeerd. De naam van Mervrouw E. Schumann-Van den Bos, de begaafde huidige vice-presidente van deze vereeniging, die zeer veel heeft gedaan voor het Bataviaasche kustleven, mag in dit verband niet onvermeld worden gelaten.

 

In deze tijden van malaise en bezuinigingen is er wel eens sprake geweest van afschaffing van de stafmuziek, maar dank zij den kunstzin van Gouverneur-Generaal Fock mochten wij haar behouden. Het zou anders kortweg een ramp voor het Indische muziekleven geweest zijn.

De grote oorlog heeft Indië dit geestelijk voordeel gebracht, dat kunstenaars van den eersten rang uit alle landen van Europa, die er anders niet aan gedacht zouden hebben onzen archipel te bezoeken, op hun werelreis ook hier voet aan wal zetten. In 1919 en later kon men van een ware invasie, vooral van Russische artisten, zoowel vocalisten als instrumentalisten, spreken.

 

 

Print Version/Afdruk Versie