Artiesten

Prelude
Ouverture
Kunstkringen
Japanse Kampen
Orkesten/Koren
Komponisten
Artiesten
Sticusa/Erasmushuis
Programma's/Recensies
Encores/Links
Onderzoekers
Chronologie en kaarten
Knipsels
Gebouwen
Radio
gamelan
 
Walter Spies als musicus          Print Version/Afdruk Versie

Om te beginnen was hij een uitnemend pianist. Vooral als begeleider en ensemblespeler had hij op Java en Bali nauwelijks zijn gelijke. En dat wil heel wat zeggen. Want de Europese  samenleving kon in die periode (1920-‘ 30) bogen op een aantal superieure pianisten, van wie ik hier een enkel wil memoreren: Mevr. Johanna van de Wissel en Mevr. Gusta Bruyn-Koch. Een paar malen maakte Spies dan ook met een of ander buitenlandse beroemdheid een concerttournee over Java, zo bijvoorbeeld in de jaren 1925 en 1926, achtereenvolgens met de violisten Nathalie Bosco, Mily Herman en Fritz Hinze en de zangeres Anna El Tour.
Verder onderscheidde hij zich als dirigent, t.w. van het kratonorkest te Jogja, dat hij in de korte tijd van zijn werkzaamheid aldaar van een naargeestig strijkje tot een redelijk orkest wist op te voeren, dat zich aan Beethoven en Mendelssohn dorst te wagen, al viel een neiging tot pélog-achtige intonatie bij zijn, immers Javaanse orkestleden, nimmer geheel te onderdrukken. Deze overigens slechts enkele uren per dag eisende functie aan het Sultanhof liet hem gelukkig genoeg ruimte voor het  door hem tot een uitgezochte levenskunst verheven bezigheid van het aangename schijnbaar-niets-doen, in werkelijkheid, de onmisbare incubatietijd voor het ontstaan van bestaan fantastisch schilderijen en voor zijn musicologische studiën.

Voor hij evenwel deze betrekking als dirigent had aangeboden gekregen, moest hij zich op andere wijze een bestaansbasis verschaffen. Het zo nu en dan als concert-accompagnateur optreden was daarvoor niet voldoende; financieel zeer aanlokkelijke aanbiedingen voor medewerking aan of leiding van soosorkestjes heeft hij terecht afgeslagen ( behalve in de allereerste tijd, toen hij juist – als matroos – op Java aangekomen, niemand hem nog kende en de nood hoog gestegen was). Dan maar liever enkele ensemble lessen accepteren.

Gedurende zijn verblijf te Jogja woonde hij in de Djojodipoeran, het voorvaderlijke bezit van de veelzijdige en beminnelijke Javaanse kunstenaar R.M. Djojodipoero.
Van deze heeft Walter in langen gesprekken veel geleerd, gelijk Djojo van hem. Verrijkte Spies zijn kennis van de vorstenlandse muziek, Djojodipoero begon, onder de invloed van zijn logé, te schilderen: sterk vereenvoudigde , vaak streng gestileerde, maar uiterst suggestieve landschappen.

De Jogjase periode in Spies’ leven, was overigens als gezegd, van vrij korte duur.
Toen hij het kratonorkest vijf jaren geleid had, vroeg en verkreeg hij van zijn vorstelijke werkgever een langdurig verlof buiten bezwaar van de Sultanaatskas en vertrok hij naar het land van zijn wensdromen, naar Bali (dat hij door enkele korte vakantiereizen enigszins had leren kennen.) Hij had ten langen leste zijn uiteindelijke bestemming gevonden.

Spies’grootste muzikale gaven lagen echter niet op het gebied van klavier, orkestdirectie of pedagogiek, doch op dat van de studie der Inheemse muziek. Eerst in Jogja, later op Bali drong hij, als geen ander, in de geheimen en het wezen der Vorstenlandse en Balische toonkunst door.

Hij bezat in de latere jaren een piano, gestemd naar de Inheemse toonschalen en niet licht zal door hen, die op het Bali-congres van het Java-instituut in 1934 aanwezig waren, de meesterlijke weergave van Balische gamelan-/ Gong muziek vergeten worden, welke Spies toen in samenwerking met de Canadese componist/musicoloog Colin MacPhee vierhandig voordroeg.

In Jogja heeft hij het bekende kraton ruitjesnotenschrift voor partituurnotatie geschikt gemaakt en enkele der begaafdste  nyaga* het gebruik ervan geleerd. Deze partituurtjes liet hij dan in blauwdruk vermenigvuldigen.

*nyaga = Gamelanspelers

Hoezeer is het te betreuren, dat zijn eigenaardig levenshedonisme hem heeft weerhouden, zich de moeite te geven de veelomvattende kennis, die hij zich allengs van de Inheemse muziek had eigen gemaakt, op schrift te stellen.

Maar publiceerde hij dan zelf slechts weinig, indirect danken we hem de voortreffelijke, het essentiële zo subtiel benaderde uitlatingen over Balische muziek en dans in de werken van Covarrubias (“The Island of Bali”) en Beryl de Zoete (Dance and Drama in Bali”). Op het titelblad van laatstgenoemd boek staat zijn naam trouwens terecht als medeauteur: de tientallen weergaloze dansafbeeldingen daarin zijn namelijk alle, van hem afkomstig ( hij was ook al een goede fotograaf ) en het, merendeel in de tekst verwerkte gegevens, eveneens.

Als hij gewild had, zou hij een boeiend auteur hebben kunnen zijn. Dat bleek mij herhaaldelijk uit de vele, van hem in de loop der jaren ontvangen brieven en uit zijn schaarse bijdragen in het tijdschrift “Djawa”( jaarg. XVI blz. 5 vv. en XIX blz. 197 vv.).
Een treffend staaltje van zijn beschrijvingskunst kan de belangstellende lezer aantreffen op blz. 454 vv. van de 65e jaargang van het Tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap: een kleurige schildering van het zo merkwaardige Sanghyang dedari. Deze beschrijving is in het Duits; in latere jaren bediende hij zich in zijn correspondentie met zijn Nederlandse vrienden ook nogal een van de Nederlandse taal, een woordelijk, met Germanismen doorspekt, van spelfouten wemelend, maar springlevend Nederlands.

Ongeveer vijftien jaren leefde, werkte en flierefluiterde deze veelzijdige levenskunstenaar op Bali. Het eiland en zijn bewoners waren hem een nimmer opdrogende bron van inspiratie; hij voelde zich er volkomen thuis en werd door de bevolking op de handen gedragen.

De laatste jaren had hij in het Zuid-Balische cultuurcentrum Oeboed een vijftal kleine woningen doen bouwen met gebruikmaking van Balische stijlmotieven en dakconstructies. In één hiervan woonde hij zelf, wanneer hij althans niet in zijn schildersatelier in kampong Iséh bij Selat (tussen Kloengkoeng en Karangasem) vertoefde. De vier overige woningen stelde hij ter beschikking van andere kunstenaars, die er soms vele maanden, ja, soms wel een jaar achtereen, zijn gasten waren. Het was daar, dat Vicky Baum, onder Walter’s wakend oog haar roman “Liebe und Tod auf Bali” schreef – zonder twijfel haar beste werk – en dat Gregory Bateson en Margaret Mead hun “Balinese character, a photographic analysis” samenstelden.

Bij dit, zich zeldzaam harmonisch bij de schone omgeving aanpassende, gebouwencomplex had Spies verder een dansplaat met balé (overdekte feestruimte) laten aanleggen, als onderdak voor een van de beide gamelans*, waar de Oeboedse bevolking geregeld haar orkest- en dansrepetities hield (afb. 1 en 5 ) en waar hij zijn gasten zo nu en dan op gamelan, Gong-, Semar-, pegoelingan-, Gamboeh-, Ardjo-, Légong-, Kebijar-, Djogèd- en andere uitvoeringen onthaalde.

De oorlog heeft ook dit rijke en kostbare leven ten gronde gericht. Volgens de wet was hij nog altijd Duits staatsburger ( naar de geest en de eest geprononceerde anti-Duitsers, die ik ooit ontmoet heb). Bij het uitbreken van de oorlog in mei 1940 werd hij dus met alle andere Duitse mannen in Nederlands-Indië te Kota Tjané in de Alaslanden (centraal Zuid-Atjé) geïnterneerd en toen de Japanse opmars door Malaka begon, ingescheept met bestemming Voor- Indië, ten einde een eventuele bevrijding door de Jappanners te voorkomen.Ten Zuidoosten van het eiland Nias is toen de K.P.M.-boot, waarop Walter met enige honderden lotgenoten de overtocht moest maken, door een Japanse onderzeeër getorpedeerd. Slechts 40 overlevenden bereikten de kust van Nias. Onder hen bevond zich Spies niet.

Met hem ging de grootste schilder heen, die de archipel tot die tijd gekend had, de evenknie van een Gauguin en een Covarrubias.  Maar met hem ging tevens heen een zeldzaam, begaafd, toonkunstenaar en musicoloog en een zeer sympathieke persoonlijkheid.

November 1945  Jaap Kunst

Print Version/Afdruk Versie