Komponisten

Prelude
Ouverture
Kunstkringen
Japanse Kampen
Orkesten/Koren
Komponisten
Artiesten
Sticusa/Erasmushuis
Programma's/Recensies
Encores/Links
Onderzoekers
Chronologie en kaarten
Knipsels
Gebouwen
Radio
gamelan
 
Constant van de Wall (1871-1945)          Print Version/Afdruk Versie

Werd geboren in Surabaja en studeerde in Berlijn.Componist van van opera's, orkest- en kamermuziek, veelal geinspireerd op Javaanse motieven. Vooral de opera Attima had groot succes. Kwam tijdens zijn loopbaan geregeld in conflict met Otto Knaap, violist en muziekcriticus van het Bataviaas Nieuwsblad.

 

De componist Constant van de Wall
De Nederlandse operaliteratuur is te weinig omvangrijk om er een historisch en stilistisch overzicht  aan te wijden, doch mocht men hier ooit toe komen, dan mag zeker niet verzuimd worden, daar Attima (Episode uit het Javaanse volksleven) van de in 1945 overleden componist Constant van de Wall in op te nemen. Het werk beleefde begin 1917 bij de Franse Opera te ’s Gravenhage zijn eerste opvoering, en wanneer dit gezelschap ( het destijds zeer bekende “ Théâtre de l’Opéra Royal francais de la Haye”, dat onder directie stond van langere tijd repertoire hebben gehouden. Wanneer men thans studie maakt van de partituur, staat men er keer op keer versteld van, met welk een fantasie en vakmanschap dit werk vervaardigd is. Dit betreft niet alleen de muziek, maar ook het libretto, dat door de componist ontworpen en geschreven werd, en waarin acht rollen voorkomen, welke elk voor zich werkelijk tot gestalte gekomen zijn, terwijl ook aan een aantal nevenfiguren en aan het koor in dramatisch evenwicht aandacht werd besteed.

Dat de componist Constant van de Wall in zijn muziek een oosterse ader had, is toe te schrijven aan het feit, dat hij in Indonesië werd geboren ( Soerabaja, 7-1-1871) en daar zijn eerste jeugdindrukken opdeed. Op elfjarige leeftijd kwam hij naar Nederland, waar hij zijn eerste muzikale opleiding ontving van J.A. Ackermann te ’s Gravenhage, om zijn studie te voltooien bij F. Gernsheim te Berlijn. Hij vestigende zich in de residentiestad, waar zijn pedagogische begaafdheid veel waardering vond. Hij had er bijzonder slag van om met dilettanten snel en goed te werken. Onder zijn leiding beleefde het studentenmuziekgezelschap “Apollo”te Delft een periode van bloei. Bij Gernsheim had hij zich een gedegen compositietechniek eigen gemaakt. In een tijd, waarin van een systematische besturing van een Oosterse muziek nog geen sprake was, wist hij in zijn composities toch de Oosterse sfeer te benaderen op grond van zijn jeugdindrukken. Hij maakte voor zover de middelen hiertoe toereikend waren, studie van een Oosterse muziek, en als een van zijn eerste opus nummers verscheen een bundeltje van zes Maleise Liederen, in het voorwoord waarvan hij er uitdrukkelijk op wees, dat hij door de gedichten, en niet door de in  Indië bekende stamboel- of andere melodieën geïnspireerd was. Wèl streefde hij naar de lokale kleur, terwijl hij hier en daar de wending van een pantoen-wijs overnam. Met deze Maleise Liederen, met een Mohammedaanse aandacht op eigen compositie-avonden waar hij de beste zangeressen van die tijd, Cornelie van Zanten en Tilly Koenen, bereid vond zijn liederen ten gehore te    brengen. Vooral in Tilly Koenen vond hij een toegewijd vertolkster van zijn liederen, waarvan er wel meestal enige voorkwamen op haar recital’s. Hetgeen haar in de liederen van Constant van de Wall aantrok was het feit, dat ieder lied een ander karakter droeg, hoewel nimmer het Indische type, zo voortreffelijk weergegeven, uit het oog verloren werd. 

Mens en melodie

Print Version/Afdruk Versie