Ouverture

Prelude
Ouverture
Kunstkringen
Japanse Kampen
Orkesten/Koren
Komponisten
Artiesten
Sticusa/Erasmushuis
Programma's/Recensies
Encores/Links
Onderzoekers
Chronologie en kaarten
Knipsels
Gebouwen
Radio
gamelan
 
Uit "Dagwerk in Indië":          Print Version/Afdruk Versie

HOMMAGE AAN EEN VERSTILD VERLEDEN

 

De Compagnie van de V.O.C. kon niet buiten muziek; nieuwe troepen uit Nederland marcheerden met muziek het Kasteel binnen, overwinnaars werden ermee begroet in de raadzaal, feesten werden erdoor zoniet opgeluisterd, dan toch opgevrolijkt! Ook de dienaren der Compagnie en de burgerij konden muziek niet missen. Zij grepen zelf naar een instrument, en er waren violisten, cellisten, harpspelers onder de slaven, zodat huisorkesten mogelijk waren. Ds. Valentijn, die fluit speelde, maakte reeds spoedig na aankomst in Batavia in 1686 muziek met Abraham van Riebeeck, die de bas bespeelde, en met een Bataviase notaris. De predikant logeerde bij een collega en gaf bij vertrek naar zijn standplaats zijn gastvrouw een fraai beschilderd ‘klavecimbel’ ten geschenke vanwege de gastvrijheid, doch met een weemoedige herinnering aan de kosten ‘van ‘t fraey schilderen aan boord’! Gouverneur Generaal Valckenier had een huisorkest van vijftien slaven en in 1756 bouwde een ritmeester van de burgercavalerie een muziekkoepel op Molenvliet Oost, waar hij een orkest moet hebben gedirigeerd.

Otto Knaap, van Indische afkomst en stellig van Europese vorming, was violist en muziekrecensent. In zijn boek geeft hij zijn oordeel over het Bataviase muziekleven op een wijze die geheel verantwoord lijkt en de indruk maakt uit te gaan van grondige muziekstudie. Hij noemt als op de voorgrond tredende musici de uitstekende violist en dirigent Joza S’rogl, de pianisten de dames Schröder en Mulder, de violisten Charles Meyll, Twijsel en Fusella, de violoncellisten Melia, van Dinter, Merck, Belle, de vocale artiesten Meyboom en Hans van de Wall en met nadruk telkens Mevrouw Witbols Feugen en Mevrouw Lange-Rijkmans, die beiden les gaven en om haar stemmiddelen en het gebruik ervan door Knaap zeer geroemd te worden.

Reeds in de jaren ‘90 kwamen er vocale en instrumentale kunstenaars naar Java, zoals Maeth Piazza (Marie Storm van ‘s-Gravesande; zij was er reeds eerder geweest, was misschien geboortig uit Indië), de pianist de Kontski, die les van Beethoven zou hebben gehad. Hij bespeelde een Stradivarius zegt Knaap. Zijn vrouw zong. Zij had een grote, zeer welluidende stem. Ook de violist Ovide Musín maakte een reis over Java; ook zijn vrouw zong.

 

Knaap spreekt echter wel degelijk naast al deze prestaties over een ‘poover dilettantisme’, dat te weinig gebruik maakte van de ruime gelegenheid tot muziekstudie in Batavia en geen zelfkritiek kende. Voor het Kunstkringenbestuur van Batavia was er dus alle reden om op dit muzikaal verleden voort te bouwen. Reeds in 1914 werd er dan ook een Muziek- en Toneelverbond opgericht, dat een zelfstandig bestaan zou leiden. Onmiddellijk was dit verbond in een betere positie dan de Bataviase Kunstkring zelf door wat er aan muzikaal talent en ervaren toneeldilettantisme in Batavia en op Java aanwezig was en al spoedig in de oorlogsjaren door wat er aan artiesten uit Nederland, later ook uit Europa, kon worden aangetrokken. Ook de Bond had het roer feitelijk omgegooid en was tot de zoveel gemakkelijker te hanteren muziek en toneel overgegaan, dus tot het organiseren van tournees door geheel Indië, zeer ten gerieve van de Kringen. En de Bataviase Kunstkring deed hetzelfde in 1927 door een fusie met het Muziek- en Toneelverbond.

Van vele zijden werd de Bond bij het werk hulp geboden: door de Nederlands-Indische spoorwegen, de belasting- en douanedienst, de stoomvaartmaatschappijen, door verscheidene hotels. Zo was er in een betrekkelijk luttel aantal jaren een organisatie opgebouwd, in staat regelend en beschermend op te treden ten behoeve zowel van publiek als van kunstenaars. Gewoonlijk werden de cellisten dadelijk na aankomst in Priok naar de Heer Belle op Petjenongan gebracht, een bekend hersteller van snaarinstrumenten, die een plakmiddel had samengesteld, waar de vochtige tropenlucht geen vat op had, want op de zeereis was de aanval van de atmosfeer op de instrumenten gewoonlijk al begonnen. Godowsky reisde met twee vleugels. Hij kwam in vroege jaren twintig en werd zeer gevierd. De firma Knies - muziek- en instrumentenhandel - had later een uitstekende concertvleugel, die steeds naar het podium van de schouwburg werd gebracht voor een concert. Een stemmer bleef gedurende de uitvoering ter beschikking. Alexander Brailowski speelde vele malen voor de kunstkring èn voor de Bond. Alle artiesten kregen in de pauze steeds veel bezoek en gewoonlijk vonden zij dat prettig. Toen wij jaren later Brailowski in Parijs hoorden, hadden wij moeite hem na het concert in een kamer ergens ver achter het podium te vinden, en vrijwel alleen. Hij wist dadelijk onze naam en van welke tournee hij ons kende: ‘Java, oh ce pays merveilleux!’ En toch moesten deze artiesten van het grote podium wel wat verdragen op onze podia, ook in Batavia. De concerten hadden aanvankelijk, evenals de tentoonstellingen, plaats in geleende zalen, later in de bovenzaal van het Kunstkringgebouw, die er echter al spoedig te klein en ook te warm voor bleek. Het ledental kon plotseling stijgen na het aankondigen van beroemde kunstenaars, zoals toen Rubinstein werd verwacht in juni 1935. dan werd de grote open Dierentuinzaal gehuurd of de Sociëteit Concordia.

J. de Loos-Haaxman.

Print Version/Afdruk Versie